Het zal niet lang meer duren of het werkwoord “googelen” staat in de Van Dale. En dan betreft het geen schrijffout. Iedereen met een internetaansluiting kan “googelen”, een zoekmachine gebruiken om informatie van het internet op te halen. Wat misschien niet bij iedereen bekend is: er is een zoek-specialisatie die “Google Wetenschap” heet. Hiermee kun je de wetenschappelijke literatuur afstruinen. Op naam, vakgebied, wat je maar wilt. Als ik “M.Nepveu” intyp zie ik inderdaad bekende artikelen langskomen. Maar ook een celbioloog, een kankerspecialist en een bosresearcher blijken zich van mijn naam te bedienen. Ik zie zelfs pennevruchten van mijn alfa-broer langskomen, want die heeft een extra “R” in de aanbieding. Wanneer ik “Nepveu astrophysics” intyp heb ik eindelijk het rijk alleen: artikelen en referenties gaan uitsluitend over mijn eigen geesteskindertjes.
Ik denk terug aan de energie die in het publiceren van al dit fraais is gaan zitten. Ja, ik zeg precies wat ik bedoel: het publiceren ervan. Het doen van onderzoek is één ding, maar dan komt het echte werk…
Je stuurt een artikel op naar een tijdschrift, liefst een gerenommeerd vaktijdschrift. Dus je stuurt een artikel over iets astronomisch niet naar de Roemeense Academie voor Eigentijds Volksdansen, ook niet naar de Astronomische Gazet van Staphorst.
Het gerenommeerde tijdschrift nu wil zijn status verdedigen en is er terecht beducht voor om rommel te publiceren. Wat te doen? De redactie stuurt je artikel naar een zogenaamde referee (de Engelse aanduiding is ook in het Nederlands gebruikelijk), een hotemetoot met een klinkende internationale naam. Die mag anoniem een rapportje schrijven over je artikel. Dat rapportje gaat naar de redactie. Die neemt op grond van de bevindingen van de hotemetoot een beslissing: duim omhoog, duim omlaag. Ik herinner me dat ik iedere keer mijn hart in mijn oogkassen voelde bonzen als ik de brief van Astronomy & Astrophysics mocht openmaken… Als je dan leest dat het artikel geaccepteerd wordt, eventueel na wat wijzigingen, heb je een goede dag. Anders wordt het wanneer de referee het artikel ongeschikt acht. Er is veel werk in zo’n geesteskind gaan zitten en niet publiceren is in de academische wereld geen optie. Publish or perish! Publiceer, of ga ten onder!
Als het artikel is afgewezen ben je dus pissig. Toch kijken wat de hotemetoot te melden heeft. Heeft hij niet een beetje gelijk? Wil hij een concurrent piepelen? Of wil de hotemetoot dat het jonkie wiens naam hij (nog) niet kent zich eerst maar eens in-vecht? Als je het artikel toch gepubliceerd wil krijgen moet je vol aan de bak. En met voldoende sociale intelligentie…
Mijn ervaring was dat Amerikaanse referees niet vies waren van competitie-denken. Hun kritiek was vaker niet dan wel opbouwend. Europese referees deden suggesties tot verbetering en dachten mee.
En dan komt -tattarata!- de dag dat het tijdschrift met je artikel erin op de leestafel ligt. Daar staat boven aan de bladspiegel:
Astron. Astrophys. 105, 15-20 (1982)
The Unsteady Beam
M.Nepveu Astronomische Institute, Sonderforschungsbereich Radioastronomie, Auf dem Hügel 71, D-5300 Bonn 1, Federal republic of Germany Received May 14, 1980; accepted May 7, 1981
Er zit bijna een jaar tussen de ontvangst van het manuscript bij de redactie van “A&A” en de acceptatie van de uiteindelijke versie. In dit concrete geval had het manuscript meer dan een half jaar op het bureau van een hotemetoot gelegen. Vast een Amerikaan. Uiteindelijk moest er een ander ingeschakeld worden die wél de moeite nam het artikel te beoordelen.
Ik heb wat met dit artikel. Het gaat over een theorie die ik niet vertrouwde en ik dacht dat ik een bijzonder goed argument had om hem onderuit te halen. Tijdens de berekeningen bleek echter dat er juist niet gebeurde wat ik verwachtte en dat een bepaald proces buitengewoon stabiel was. In mijn proefschrift had ik me vastgebeten in een concurrerende theorie en nu….Ik werd als Saulus op weg naar Damascus.
Hoeveel mensen hebben dit artikel eigenlijk gelezen? Echt gelezen? Van A tot Z dus?
Goede vraag, helemaal niet deprimerend ook. Ik schat dat er toch al gauw zo’n honderd wereldburgers een manmoedige poging hebben gewaagd en dat veel meer dan de helft daarvan al snel bij het hoofdstuk “Conclusions” is gaan kijken met overslaan van de rest. Misschien vanwege mijn Engels.
Maar toch! Wie schrijft die blijft! En als over honderd jaar mijn graf geruimd en mijn wezenloos grijnzende schedel naar boven wordt gehaald en iedereen die herinneringen aan mij heeft verdwenen is, kan dit artikel nog steeds van het internet van die tijd gedownload worden. Daar doe je het voor. Mal, hè?
