Bij TNO, bij mij op het werk, zit een club die zich bemoeit met gaswinningsaanvragen ter advisering van het Ministerie van Economische Zaken. In het kader van een zo’n aanvraag kwam er onlangs een uitermate interessant deelprobleem naar voren. Alleen, het was er een dat niet naadloos paste binnen een “geo”-kennisgebied. Men krabde zich dan ook achter de oren en er gebeurde precies wat er in zo’n geval moet gebeuren: het probleem kwam via de koffieautomaat bij een (zuiver)wiskundige collega en mij terecht. Wij trokken ons een uurtje terug in een hok en toen we dat hok uitkwamen, had ik de taak op me genomen om aan de vragenstellers een document te sturen waarin zij een antwoord kregen, tezamen met een voorlopige uitwerking. In de behandelingswijze van het probleem maakte ik onomwonden duidelijk dat er twee mathematische types aan het probleem hadden gewerkt. Ik “verzachtte” het document met taalgebruik dat mij nu eenmaal eigen is, zonder de redeneringen te compromitteren.
Na wat elektronisch over-en-weer met mijn collega, deels midden in de nacht, waarbij gevijld en geschaafd werd, stuurden we het document in.
Toen ik het later nog eens nalas kreeg ik een goed gevoel. Strakke redeneringen, onontkoombare gevolgtrekkingen. Natuurlijk kwamen er vragen en die werden in precies dezelfde stijl door mij schriftelijk beantwoord: maximale precisie, dwingende conclusies. Zo hoort het.
In de praktijk van alledag en in de politiek zie je een dergelijke strakke manier van redeneren ondertussen maar zelden. Wie in de politiek dingen gedaan wil krijgen en niet in een bananenrepubliek leeft, weet dat hij met argumenten aan moet komen en niet met een houten knots. De politicus met een missie zoekt dan ook vaak naar argumenten die “erin gaan”, niet noodzakelijk naar “geldige” redeneringen. Een enkel voorbeeld mag volstaan.
Stel dat ik u een jaar lang tegen uw wil in een hok opsluit en dat u daarna bevrijd wordt. Krijg ik dan gevangenisstraf of niet? Reken maar van wel. Ik heb u wederrechtelijk van uw vrijheid beroofd en als straf berooft Vadertje Staat mij van mijn vrijheid. U vindt dat vermoedelijk volkomen acceptabel. Maar stel nu dat ik u dood. Dan zegt zo menige ferme tegenstander van de doodstraf: als u niet mag doden, dan mag Vadertje Staat dat ook niet. Aan de hand van het vorige voorbeeld zien we dat de redenering als zodanig niet deugt. “Als u iets niet mag, dan mag Vadertje Staat dat ook niet.” is geen geldige redenering. Per definitie niet, zou ik haast zeggen. Maar degene die de uitspraak doet, is ook niet geïnteresseerd in de kwaliteit van zijn argumentatie, hij wil u alleen voor zijn standpunt winnen. Trouwens, de kans is groot dat hij niet het werkwoord “doden” zou bezigen, maar het werkwoord “vermoorden”. Dat heeft namelijk meer emotionele impact.
Hoe dan ook, dit simpele voorbeeld laat zien dat u de argumentatie van iedereen met een manifest belang of een duidelijke missie zeer goed tegen het licht moet houden.
Ikzelf vind het behoorlijk irritant als iemand mij probeert over te halen met argumenten die geen hout snijden. Laat men liever goede argumenten vinden om zijn zaak te bepleiten!
Er bestaat een verband met het schaakspel. Ik weet dat er schakers zijn die een geslaagde schwindle zo ongeveer het mooiste vinden wat er bestaat. Zelfs Grootmeester Donner heeft zich wel eens in die zin uitgelaten. Men vindt het prachtig dat men zijn tegenstander een rad voor ogen heeft gedraaid en er met de volle buit vandoor is gegaan, terwijl dat eigenlijk anders had gemoeten. Welnu, in het schaken hoort het er bij en ik zal zelf, indien per se noodzakelijk, ook schwindelen ter voorkoming van de nederlaag. Als het lukt zal ik het punt incasseren, maar de partij zal ik vol walging en zelfhaat laten opnemen in het Grote Vergeetboek.
Werkelijke prestaties ontstaan alleen door maximale precisie en onontkoombare gevolgtrekkingen.
